Sedert de tijd van de Boeddha hebben zich twee hoofdstromingen binnen het boeddhisme gevormd; het mahayana-boeddhisme, dat in Noord- en Oost-Azië wordt beoefend en het theravada-boeddhisme, dat voornamelijk in Zuidoost-Azië wordt beoefend. Binnen deze hoofdstromingen zijn er weer verschillende tradities.

Zo heeft het mahayana-boeddhisme zich in China verder ontwikkeld als Ts’ao T’ung Ch’an en in Japan als Zen. Het belangrijkste verschil tussen de twee hoofdstromingen is het feit dat in het mahayanaboeddhisme zowel monnik als leek het pad van de Boeddha kan gaan en verlichting kan realiseren terwijl in het theravadaboeddhisme de rol van de leek vaak beperkt blijft tot het ondersteunen van de monniken met o.a. voedsel, kleding en medicijnen.

De Soto-Zen of ‘stille belichting meditatie’-traditie is de oudste school van het Châ’an- of Zenboeddhisme. Bodhidharma, de boeddhistische monnik die in de zesde eeuw in India leefde, reisde naar China en onderwees daar zazen (zenmeditatie) en onophoudelijke oefening. In de dertiende eeuw werd de Soto-Zentraditie door de Japanse zenmeester Dogen, na een aantal jaren van monastieke training in China, geïntroduceerd in Japan en door hem verder ontwikkeld.

Alhoewel een aantal uiterlijke vormen van de boeddhistische praktijk zich over de tijd hebben gewijzigd, zich aanpassend aan elke cultuur toen het boeddhisme werd overgedragen van India naar China, Japan en nu naar het Westen, blijft de essentie van de boeddhistische leer onveranderd.
• Het beoefenen van zazen.
• Het naleven van de ethische leefregels van het boeddhisme, zowel in ons gedrag naar anderen toe, als in de inwendige oefening ons hart/geest te zuiveren.
• De leer dat ieder wezen de Boeddha-natuur heeft. Iedereen is in wezen goed, maar door onwetendheid creëren we leed en verduisteren daarmee onze ware natuur.
• Het oefenen in het ontwaken van mededogen, liefde en wijsheid en dit tot uitdrukking brengen in ons dagelijks handelen.