Misschien is er geen plek waar de uitnodiging tot het oefenen van openheid méér tot uiting komt dan binnen de Sangha, de groep van boeddhistische beoefenaars, je medereizigers op het pad.

De Sangha is de derde van de drie juwelen zoals ze traditioneel worden genoemd, de boeddha, de dharma en de sangha. De boeddha als de stilte, de bron, een voorbeeld. De dharma als alles wat wordt aangereikt om tot inzicht te komen en sangha als diegene met wie je samen tot inzicht komt.

De oorspronkelijk betekenis van het woord “sangha” is de gemeenschap van monniken (m/v), de groep zoals deze zich ooit schaarden rond Shakyamuni boeddha en zich later organiseerden in klooster gemeenschappen. In de ruimere betekenis wordt met sangha de groep aangeduid waarmee je samen oefent. De mede wandelaars op het pad. In principe kan dat dus iedereen zijn. Belangrijker is echter de herkenning dat oefenen niet iets is wat je alleen doet.

De sangha is zo belangerijk omdat het enerzijds een een steun en toeverlaat is. Een groep waarop je kan leunen, die je kunnen helpen en waarmee je samen verder kan komen. Aan de andere kant is de sangha de plek waar je de inzichten kan beoefenen en toetsen.

De basis van de omgang met elkaar vormen daarbij de vier wijsheden: Vrijgevigheid, vriendelijkheid, welwillendheid en meevoelendheid. Deze worden ook wel de vier tekenen van verlichting genoemd. Met het bewandelen van het boeddistisch pad ontwikkelen zich deze aspecten namelijk als het ware automatisch mee.